4.4 Context en presentatie
Documenta 4, 1968
In een documentaire uit 1968, over de Documenta van dat jaar, zag Van Golden in 2002, toen de documentaire herhaald werd, zichzelf dansen met een tamboerijn in de hand, in de zaal waar zijn werk hing (benedenetage links achterin), op muziek die hij zelf mee had genomen en die hij op zijn bandrecorder afspeelde.1
Côte d’Or, 1990-1991
Côte d’Or , 1990-1991, bestaat uit drie kleurenfoto’s in lijst achter glas (Museum Boijmans Van Beuningen). Het straatbeeld (Côte d’Or-reclame) in het midden, rechts het meisje (Diana) en links de pianist (Jed Curtis), met een tussenruimte van drie centimeter tussen de lijstjes. Een andere manier van hangen is niet opportuun. De pianist is Jed Curtis (volledige naam Jed Loveall Curtis, microbioloog), een vriend van Daan van Golden die hij heeft leren kennen in Japan.2
Two Paintings
Two Paintings werd in 1965 tentoongesteld bij Steendrukkerij De Jong & Co. waar het onderdeel was van een installatie met andere werken, een lichtblauw schilderij met twee horizontale blauwe banen die doorliepen over de muur. Dit is een conceptueel werk, een installatie die eenmalig was. Het verloren gegane werk op de foto rechts, waarvan de twee banen doorlopen over de muur, was eigenlijk een nadere verklaring van de werking van het schilderij dat nu in de collectie Becht is en het schilderij van Schiedam (inv. B/0000067). Daarnaast waren er andere schilderijen, zoals een opgehangen geel monochroom vierkant waartegen een staand schilderij geleund stond waar het gele monochroom doorheen leek te schijnen doordat het deels met de monochrome kleur was afgedekt en deels een geschilderde schaduw wierp op het gele monochroom. Het staande schilderij werd later getransformeerd tot Tokyo 1964 (zie afbeelding voorzijde catalogus Boijmans 1982 en Biënnale p.23). 3
Studie Pollock
Uiteraard is de maat van het motief ook van invloed op de formaatkeuze van de schilderijen. Maar daarnaast is er een andere factor: de ruimte waarvoor een schilderij bedoeld is. De Pollock uit de verzameling van het Stedelijk Museum is gemaakt speciaal met het oog op het formaat van de zaal met zwart-wit werken voor de tentoonstelling van 1991. In 1987 toonde Van Golden voor het eerst een Studie Pollock bij Art & Project. Ook daar voegde het werk zich als vanzelf in de bovenzaal op de wand tegenover het raam. Ook het formaat van de schilderijenreeks voor zaal 11 voor het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1966 werd afgestemd op de maat van die ruimte en de manier waarop Van Golden de serie wilde hangen.4

1
Daan van Golden
Two paintings, 1965
Schiedam (plaats, Zuid-Holland), Stedelijk Museum Schiedam
Agua Azul
Van Golden is niet zo gecharmeerd van de idee dat in de toekomst installaties gemaakt zouden gaan worden met zijn werk ‘in de trant van Van Golden’. Het maken van een installatie ligt hem heel na aan het hart en hij vraagt zich af of iemand anders daar een methodiek of een aanpak aan kan ontlenen, of iemand anders zich het maken van een installatie kan aanleren. Daar komt bij dat elke installatie afhankelijk is van verschillende factoren, zoals de mogelijkheden van de plaats van exposeren, de beschikbare werken en het moment waarop de expositie plaats vindt. Al deze factoren zijn ongewis. Vooral de laatste – het dichtst op de huid van de kunstenaar liggende – factor is belangrijk. Reconstructies van installaties kunnen geen rekening houden met deze factor en zouden om alleen al die reden moeten worden afgeraden. Maar uitzonderingen bevestigen de regel. Een reconstructie van Agua Azul, gemaakt voor 'Century 87' in de Hortus in Amsterdam is bijvoorbeeld best denkbaar. De paden zouden met vergelijkbaar blauw getinte kiezel kunnen worden ingevuld. Het is van belang dat het blauw dicht ligt bij de kleur blauw die Van Golden altijd benut, en dat de kiezel niet groter is dan ca. 5 mm. De vaas in het centrum van de concentrische cirkels van de tuin is niet nodig (deze was ook al vlak na de opening van 'Century' naar een andere plek in de tuin, dicht bij de Oranjerie verplaatst). Ook zal het zeker nodig zijn verder te kijken dan de ingrediënten alleen. Het is belangrijk dat de installatie helder en strak blijft en dat tot in detail gekeken wordt of alles schoon en goed verzorgd is. Om zijn bedoeling te onderstrepen vertelt Van Golden dat vaak de ‘ramen niet gelapt zijn’ als een presentatie van kunstwerken in een etalage wordt verzorgd. Etaleren is een vak. Dagelijks blaadjes en ongerechtigheden verwijderen en een ronde door de tuin maken, is van groot belang. Ook is het van belang de tuin weer in ordelijke staat op te leveren. Een nieuwe uitvoering van Agua Azul is dus denkbaar, mits ‘de ramen goed gelapt zijn’. Maar voor de meeste andere installaties geldt dat reconstructie weinig zin heeft en een goede kans loopt leeg en ongeconcentreerd te worden. Er is geen probleem zolang de kunstenaar er bij is. Hij neemt dan het voortouw in de samenstelling van de tentoonstelling, rekening houdende met de wensen van de organisatoren, met de mogelijkheden van de ruimte of de plek van exposeren en met de beschikbaarheid van werken. Hij houdt er van een zo groot mogelijke diversiteit te presenteren. Die presentatie is zo opgebouwd dat de elementen elk afzonderlijk tot hun recht komen, voor verrassingen zorgen, elkaar versterken en een sfeer oproepen. Installeren heeft in zijn ogen veel van etaleren: ruimte maken, een wereld creëren waarin de afzonderlijke elementen kunnen ademen. Dus niet alleen uitstallen maar ook in een niet uitgekristalliseerde vorm dingen suggereren, een verhaal vertellen. Als hij er op een bepaald moment niet meer is, kan hij zelf deze taak niet meer uitvoeren. Toch hoopt hij dat de mensen iets moois met zijn werk doen, en dat het geen paarlen voor de zwijnen gooien is zoals in de Kunsthal, waar in het kader van een poparttentoonstelling werken van hem bovenop elkaar gehangen waren en zo sprake was van een enorme vervuiling die zich tot in de catalogus voortzette. Hij hoopt dat het in de toekomst zal lukken om nieuwe impulsen te ontlenen aan zijn werk, dat het werk daarvoor rijk genoeg is.5
Finistère, 1986
Finistère, 1986 foto (kleur), coll. Museum Boijmans Van Beuningen, is wel als tweeluik bedoeld maar hoeft niet noodzakelijkerwijs ook als tweeluik te worden getoond.6
Drukkerij De Jong
Het schilderijtje dat afgebeeld staat op het affiche van Steendrukkerij De Jong roept nu achteraf meer raadsels op dan kunnen worden opgelost. Het hangertje was – voor zover het overlapte met het schilderijtje – in hetzelfde cériserood geschilderd als het paneeltje. Alleen de aan de beide zijden overstekende delen waren in het blank gelakte hout dat normaal was voor dergelijke hangertjes. Op de affiche voor Steendrukkerij De Jong is vreemd genoeg geen spoor van dit ‘wegvallen’ te zien. Ook de wijze van hangen, met staaldraad en met spannertjes, roept bij Van Golden geen herinneringen wakker.7
Zie ook Brigitte Bardot 1979-1981 en Casteldefells 1966, 1999 onder § 1.2 Fotografie.

2
en Daan van Golden Pieter Brattinga
zonder titel, 1966 gedateerd
Den Haag, RKD – Netherlands Institute for Art History
Notes
1 Gesprekken H. Janssen met D. van Golden datum: 020902 / 040127. Een exemplaar van de documentaire, Revue der jungen Meister, bevindt zich in de bibliotheek van het RKD, zie https://rkd.nl/explore/library/272464.
2 Gesprekken H. Janssen met D. van Golden: 0052 datum: 021128 / 040116
3 Gesprekken H. Janssen met D. van Golden: 0025 datum: 021009 / 030318 / 040116
4 Gesprekken H. Janssen met D. van Golden: 0040 datum: 021107 / 030617 / 040116
5 Gesprekken H. Janssen met D. van Golden: 0043 datum: 030617 / 040116
6 Gesprekken H. Janssen met D. van Golden: 0061 datum: 021128 / 040127
7 Gesprekken H. Janssen met D. van Golden: 0024 datum 030205 / 040116