5.3 Reconstructie
Agua Azul
Van Golden is niet zo gecharmeerd van de idee dat in de toekomst installaties gemaakt zouden gaan worden met zijn werk ‘in de trant van Van Golden’. Het maken van een installatie ligt hem heel na aan het hart en hij vraagt zich af of iemand anders daar een methodiek of een aanpak aan kan ontlenen, of iemand anders zich het maken van een installatie kan aanleren. Daar komt bij dat elke installatie afhankelijk is van verschillende factoren, zoals de mogelijkheden van de plaats van exposeren, de beschikbare werken en het moment waarop de expositie plaats vindt. Al deze factoren zijn ongewis. Vooral de laatste – het dichtst op de huid van de kunstenaar liggende – factor is belangrijk. Reconstructies van installaties kunnen geen rekening houden met deze factor en zouden om alleen al die reden moeten worden afgeraden. Maar uitzonderingen bevestigen de regel. Een reconstructie van Agua Azul, gemaakt voor 'Century 87' in de Hortus in Amsterdam is bijvoorbeeld best denkbaar. De paden zouden met vergelijkbaar blauw getinte kiezel kunnen worden ingevuld. Het is van belang dat het blauw dicht ligt bij de kleur blauw die Van Golden altijd benut, en dat de kiezel niet groter is dan ca. 5 mm. De vaas in het centrum van de concentrische cirkels van de tuin is niet nodig (deze was ook al vlak na de opening van 'Century 87' naar een andere plek in de tuin, dicht bij de Oranjerie verplaatst). Ook zal het zeker nodig zijn verder te kijken dan de ingrediënten alleen. Het is belangrijk dat de installatie helder en strak blijft en dat tot in detail gekeken wordt of alles schoon en goed verzorgd is. Om zijn bedoeling te onderstrepen vertelt Van Golden dat vaak de ‘ramen niet gelapt zijn’ als een presentatie van kunstwerken in een etalage wordt verzorgd. Etaleren is een vak. Dagelijks blaadjes en ongerechtigheden verwijderen en een ronde door de tuin maken, is van groot belang. Ook is het van belang de tuin weer in ordelijke staat op te leveren. Een nieuwe uitvoering van Agua Azul is dus denkbaar, mits ‘de ramen goed gelapt zijn’. Maar voor de meeste andere installaties geldt dat reconstructie weinig zin heeft en een goede kans loopt leeg en ongeconcentreerd te worden. Er is geen probleem zolang de kunstenaar er bij is. Hij neemt dan het voortouw in de samenstelling van de tentoonstelling, rekening houdende met de wensen van de organisatoren, met de mogelijkheden van de ruimte of de plek van exposeren en met de beschikbaarheid van werken. Hij houdt er van een zo groot mogelijke diversiteit te presenteren. Die presentatie is zo opgebouwd dat de elementen elk afzonderlijk tot hun recht komen, voor verrassingen zorgen, elkaar versterken en een sfeer oproepen. Installeren heeft in zijn ogen veel van etaleren: ruimte maken, een wereld creëren waarin de afzonderlijke elementen kunnen ademen. Dus niet alleen uitstallen maar ook in een niet uitgekristalliseerde vorm dingen suggereren, een verhaal vertellen. Als hij er op een bepaald moment niet meer is, kan hij zelf deze taak niet meer uitvoeren. Toch hoopt hij dat de mensen iets moois met zijn werk doen, en dat het geen paarlen voor de zwijnen gooien is zoals in de Kunsthal, waar in het kader van een poparttentoonstelling werken van hem bovenop elkaar gehangen waren en zo sprake was van een enorme vervuiling die zich tot in de catalogus voortzette. Hij hoopt dat het in de toekomst zal lukken om nieuwe impulsen te ontlenen aan zijn werk, dat het werk daarvoor rijk genoeg is.1
Notes
1 Gesprekken H. Janssen met D. van Golden: 0043 datum: 030617 / 040116