6.1 Gesprek met Cees van Maurik
Gesprek met Cees van Maurik d.d. 3 februari 2003, over zijn contacten en samenwerking met Daan van Golden
interviewer: Hans Janssen
aanwezig: Cees van Maurik
plaats : kantoor Van Maurik, Vennecoolstraat 49, Rotterdam (Alexanderpolder)
duur : 2.00 uur
Cees van Maurik is op het moment van dit gesprek directeur van Uitgeverij Koppel te Rotterdam, die boeken en andere uitgaven verzorgt. Hij begon in de vroege jaren vijftig als marketing manager bij de Koninklijke Dobbelman in Nijmegen (wasmiddelen), daarna was hij directeur Continental Foods Nederland (sauzen). Vervolgens werkte hij vanaf 1958 negen jaar bij de Koninklijke Papierfabriek Van Gelder Zonen, bij de dochter Cats Neparofa (Nederlandse Papier Rollen Fabriek, een papier, film en folieën verwerkende industrie) op de Sluisjesdijk in Rotterdam-Zuid. Daar was hij verantwoordelijk voor reclame en voorlichting. In die tijd leerde hij Van Golden kennen. Van Maurik werkte altijd al graag en veel samen met beeldend kunstenaars, die hij kende via de avondacademie in Rotterdam, waar hij in 1951 en 1952 cursussen liep. Zijn vader was brigadier bij de rivierpolitie. Van Maurik wilde leren tekenen, hij wilde de reclame in. Het was een vijfjarige cursus, maar na twee jaar begon hij zich richting de commerciële kant te ontwikkelen. Ook leerde hij zijn talen want dat had hij nodig voor zijn werk bij de Coöperatieve Vleescentrale. Maar via de academie leerde hij kunstenaars kennen. Daan van Golden zat een jaar na Van Maurik op de dagacademie, dus toen kenden ze elkaar nog niet. Van Golden liep toen ook nog een tijdje op vilten sloffen door de etalage van de Bijenkorf in Rotterdam. Ook toen kende hij hem nog niet. Na Continental Foods ging Van Maurik in 1958 naar Cats Neparova. Hij had veel contacten met het hoofdkantoor in Amsterdam en door zijn affiniteit met publiciteit en reclame raakte hij betrokken bij reclame en vooral bij de ontwikkeling van stands, voor verpakkingsbeurzen in Parijs en Amsterdam. Er moesten ontwerpen gemaakt worden voor stands en zo kwam hij in contact met de ‘Rotterdamse jongens’, met Piet van den Heuvel in eerste instantie, maar ook met jongens als Mathieu Ficheroux en Leendert Jan Zee, Peter Martens, Hans Sleutelaar, Cornelis Bastiaan Vaandrager en anderen, die hij op deze manier goed kon ondersteunen in hun financiële omstandigheden. Piet van den Heuvel onderhield de contacten met de standbouwers. Hij maakte prachtige collages, met oude verpakkingspapiertjes van Cats Neparova als basismateriaal, van partijen papier die niet meer verkocht of gebruikt gingen worden. Daar maakte hij enorm grote, prachtige dingen mee, voor op de wanden van de stands, maar ook als zelfstandig kunstenaar maakte hij fraaie dingen, enorme collages van lezende mannen aan tafels. Van afval. Dat was in 1961-1964. Ook andere kunstenaars ondersteunde Van Maurik intensief, zoals Mathieu Ficheroux, van wie hij werk kreeg in ruil voor van alles en nog wat. Zo bracht Van Maurik onder de merknaam Dido ook gekleurde rolletjes tape op de markt, ‘[…] waarmee mensen de cadeautjes konden inpakken. Maar er waren ook partijen afgekeurde tape. Die rollen waren gekokerd. En ik heb die hele Rotterdamse kunstscène voorzien van rollen tape – die lachen zich nog steeds helemaal rot als ze mij zien –om kunstwerken te verpakken en te verzenden, maar ook om in die dingen te verwerken. Dat was geen stoffen tape. Vaak transparant en gekleurd, maar alles steeds op basis van celluloïd. Ook Daan van Golden heb ik overvoerd met tape.’ In 1967 ging Van Maurik weg bij Cats Neparova. Toen ging hij in de wasmiddelen.
Vraag: Hoe heb je Daan van Golden precies leren kennen?
Antwoord: Nou, dat is een leuk verhaal. Daan heb ik leren kennen via Piet van den Heuvel. Zegtu de naam Napaku iets? Dat is Piet van den Heuvel. Daan was een hele goede vriend van Napaku. Hij deed nog geen dingen onder die naam, dat was een fase later. Want Van den Heuvel was toen nog getrouwd met Thea Gérard, dat was een naïve schilderes, helaas te vroeg overleden, die prachtig werk maakte. Maar Piet vroeg op een gegeven moment of hij een vriend mee mocht brengen naar de opbouw van een stand op de Femina, de huishoudbeurs van Rotterdam. En zo kwam Daan van Golden bij mij op kantoor. Hij zat toen in de contraprestatie. En ik had daar in een hoek van die hele grote stapels liggen. Ik had met een collega een nieuwe club opgericht – Dido – en die ging huishoudelijke producten op de markt brengen, en dan vooral naar de grote levensmiddelenbedrijven, supermarkten etcetera, zoals cadeaupapier, kastpapier, inpakpapier, plastic zakjes, aluminiumfolie op de rol om te koken, bakken en braden. En voor die luxe cadeaupapiertjes kregen wij collecties uit Denemarken en Zweden, van bedrijven die dit drukten. En dat verkochten ze naar afnemers zoals wij. Wij selecteerden dan de dessins. En wij verwerkten dat dan weer verder, naar rolletjes, met een mooi etiketje erom, en dan verkochten wij het weer. En Daan zag dat in een hoek liggen, en vroeg dan of hij niet zo’n setje mee mocht nemen, van de niet geselecteerde dessins. En vervolgens kwam hij terug en dan had hij iets gecreëerd. Een paar weken later.
Vraag: Was dat meteen ook voor een tentoonstelling?
Antwoord: Ja, voor de tentoonstelling bij Ter Meulen op de Lijnbaan, van Rotterdamse kunstenaars. Dat was allemaal op basis van restant geweest. Daar is toen een heel rumoer om geweest, omdat een van die dingen verkocht was aan een oudere mevrouw die afgegaan was op de mededeling van Leendert Jan Zee, dat van Golden dat helemaal zelf geschilderd had. Later hoorde ze van een vriendin dat dat verhaal niet waar was en daar kwam herrie van. Dat stond ook in de krant. Het was een prethoofd, die Leendert Jan Zee, maar ik denk dat er ook jaloersheid bij kwam kijken bij die jongens, op wat Daan deed en hoe hij dat interpreteerde, hoe hij eigenlijk verder ging op dat werk van Van den Heuvel. Hij had het passe-partout van dit spul gemaakt en het binnenwerk ook. En Daan had natuurlijk die hele zwarte periode gehad, zo aan het begin van de jaren zestig, met die zwarte verfhanden. Het was niet zwart qua stemming hoor, en zeker Daan niet! Alleen qua kleur. Want verder swingde dat, en er werd geblowd. En Willy kwam daar ook bij en die werd steeds mooier.
Vraag: Dit is ook zo’n foto uit die tijd, hè?
Antwoord: Dat is ook zo’n foto, gemaakt door José Ylstra, de vrouw van Bouke Ylstra, die heeft ze gemaakt in de jaren zestig. Bouke was een schilder en graficus uit Dordrecht die ook op de academie in Rotterdam had gezeten. Ze zijn gemaakt in 1962, zoals te zien is aan de sticker uit die tijd.
Vraag: Daar werd wel veel gerookt zo te zien ...
Antwoord: Oh ja, dan zei ik dat ik naar Amsterdam ging op woensdag en dan vroegen ze of ze mee konden en dan haalde ik ze op in Schiedam waar ze woonden. En dan kwam ik om tien of elf uur bij ze – ik kon dan aan het touwtje trekken en direct naar boven lopen – en dan lagen ze nog op die matrassen te slapen. Nou, Daan kwam er dan wel uit, maar Willy, die was totaal van de wereld. Er werd toen heel stevig geblowd, in die tijd. Dat was nog vóór de reis naar Japan. Ik had het laatst nog met Daan over die reis naar Spanje. Ik heb toen nog koffers met ze gekocht, van die grote zilveren, metalen koffers. Willy heb ik dat laatst nog gevraagd en die zei dat ze ze net een paar jaar geleden weggegooid had. Ze waren zo gebutst en gehavend, daar was zoveel mee gereisd. Maar voor de rest, uit die periode, weet Daan sommige dingen niet meer.
Ik ben ook – en daar ben ik best een beetje trots op – de man die voor Daan in Nederland, buiten Rotterdam, zijn eerste tentoonstelling heeft geregeld. Dat was bij Steendrukkerij De Jong in Hilversum. Kijk, Cats Neparova zat in de grafische sector uiteraard en wij maakten boekomslagen die – dat was een noviteit – voorzien werden van een plastic coating. En we wilden dat in het kerstnummer van het Grafisch Drukkersweekblad onder een bredere aandacht brengen. Daarom zocht ik contact met Pieter Brattinga. Dat was een heel interessante man die veel deed op het gebied van grafische ontwikkelingen. En ik heb hem toen zes pagina’s als een brochure op weten te laten nemen in het weekblad, in 1964-65. En Pieter heeft toen de matte en de glanzende cacheringsmethode tot uitdrukking gebracht in een afbeelding van een vrijstaand ei en een appel. En wij spraken wel eens over van alles en nog wat en Daan zat in Rotterdam nogal geïsoleerd van de Amsterdamse scene, waarin Pieter Engels en Anton Beeke en zo zaten. En ik heb Pieter toen van Daan verteld: ‘Die is zo leuk bezig…die verzamelt ook luciferdoosjes, sinaasappelpapiertjes en postzegels.’ Allemaal vanwege de afbeeldingen. En toen had ik nog niet veel van hem gezien hoor, van wat hij aan het creëren was! Hij had mij wel allemaal van die zaken toegestuurd, bijgesloten in brieven die hij mij stuurde vanuit Japan en toen hij terugkwam zag ik die prachtige schilderijen onmiddellijk, die Brabantse bontjes – en toen heeft dat geresulteerd in een tweetal belangrijke dingen voor Daan – vind ik – en die emotie heb ik gewoon ook nog steeds met Daan, en Daan ook in behoorlijke mate met mij, dat ik toen op een of andere manier betrokken was bij die tentoonstellingen bij Ter Meulen en bij Pieter Brattinga. Pieter Brattinga stuurde mij al dat prachtige materiaal van die tentoonstellingen die hij eerder in Hilversum maakte en daar ging ik regelmatig naar toe, dat was prachtig. En toen heb ik Daan onder de aandacht van Pieter gebracht en die heeft toen die tentoonstelling daar georganiseerd.
Iets anders is dat we ook kastpapier maakten bij Cats, van dat vetvrije papier. Dat is geparaffineerd papier. Dat wordt eerst bedrukt in roze, lichtblauw, groen en bruin, in anilinedruk. En toen heb ik Daan de opdracht gegeven een tweetal dessins te maken. Daar hebben we denk ik een half miljoen rollen van verkocht, met dessin van Daan. Aan Albert Heijn, aan de Sperwer, aan de Spar, noem maar op, aan die grote jongens. Ik heb nog een werktekening van een van die dessins in mijn collectie en ik heb ook een doos met van die rolletjes. Daan wist dat bij God niet meer, die was dat helemaal vergeten. Ik heb heel veel van die rolletjes weggegeven. Dat was in 1965, direct nadat hij teruggekomen was uit Japan. Voor mij was dat een opdracht die kwam vanuit een artistieke hoek. Dat beviel mij ontzettend goed. Ook commercieel gedacht hoor! Ik zag die schilderijen en ik dacht: verdomme, dat kan meteen de kast in. Als rolletjes. Ik had dat meteen door! Ik heb in mijn werk heel veel profijt daarvan gehad. Ik noem dat altijd ‘vertalen’. Ik zie dingen en dat vertaal ik dan direct, en zo ging dat destijds ook toen ik bij Van Gelder werkte, op het moment dat ik die dingen van Daan zag. Voor Daan zal dat niet veel anders zijn geweest, die maakte dat ook niks uit of dat nou kunst was of iets anders. Daar kwam bij: Daan kreeg daar ook geld voor en die kon dat goed gebruiken. En daar krijg ik dan later kippenvel van hoor, als ik dan dingen zie hangen, zoals laatst nog in de tentoonstelling van de Caldic collectie in het Boijmans, dat ding met die vogeltjes er op. Ik kende dat dessin niet meer precies, maar ik herken het direct als een ding uit die periode.
Vraag: Wat mij zo verbaast is dat dat papier nog zo goed is eigenlijk en die druk lijkt relatief weinig te lijden te hebben gehad van daglicht.
Antwoord: Dat papier… ik denk dat dat op rol geproduceerd is. Een houtvrij papier, een gram of zeventig. En dit papier kwam allemaal uit Zweden. De drukprocedure twijfel ik over. Ik denk dat het rol op rol was, koperdiepdruk. En dat werd later in stukken gesneden. Het werd wel als vel aangeleverd. Dat was een redelijk duur procédé. Dat waren grote machines met vier grote cilinders.
Vraag: Waren er meer kunstenaars die met dat materiaal werkten?
Antwoord: Nee. Alleen Piet van den Heuvel. Die gebruikte dat eenmalig voor die grote collages. Maar Daan heeft er meerdere dingen mee gedaan. Voor die regelingen, voor de BKR. Ik wist bij God niet wat hij er mee ging doen, daar kwam ik later pas achter. Totdat hij zei dat het op een tentoonstelling hing. En dan ging ik kijken en dan, godver… ik vond dat mooi! En daarom heb ik ook altijd zo’n emotionele binding met Daan gehad. En ook met die tape. Ik weet precies hoe die schilderijen tot stand gekomen zijn. Nou was dat niet mijn tape [met die Japanse schilderijen – HJ], maar later heeft hij ook, toen hij weer weg was, van die blikken tape meegenomen.
[…]
Vraag: Heb je nog van later herinneringen aan Daan, bijvoorbeeld hoe die zaal in Schiedam er uit zag, in 1979?
Antwoord: Dat was het eerste moment dat hij weer een beetje opkrabbelde.
Vraag: Hoe zag dat er uit?
Antwoord: Nou, dat was voor mij ook iets heel onverwachts. Via Den Haag, via Piet van den Heuvel en Bob Lens, volgde ik wel hoe het met Daan was en ging. Ik dacht, blij dat hij er weer is, maar toch had het ook wel iets van… ja… je zag ook dingen, als je met die kwast, die Joop Schafthuizen had hij ook wel eens wat op een schilderijlijst aan de kant in het atelier laten rommelen. Later is er wel eens sprake geweest van een ‘school Van Golden’, als het ware, van dat viertal jongens…
Vraag: Dus er hingen dingen in Schiedam waar onder andere ook Joop aan gewerkt had.
Antwoord: Ik dacht van wel, dat ik dacht van godver…. Maar toen begreep ik al snel: dat heeft toch met de emotie van Daan te maken en met dat hij daartoe opdracht heeft gegeven.
[…]